Op 2 april 2010 verscheen in het Belgisch Staatsblad de wet die voorziet in de oprichting van een fonds voor vergoeding van medische ongevallen. Om die wet in de praktijk uitvoerbaar te maken, moet een nieuwe regering nu nog uitvoeringsbesluiten (in de vorm van koninklijke besluiten) nemen. Pas dan kan het fonds operationeel worden.
Er is wel al 5 miljoen euro uitgetrokken voor de financiering van het fonds.
Wat het personeel van het fonds betreft, is men nu samen met het RIZIV het nodige aan het doen om dit zo snel mogelijk te kunnen aanwerven of detacheren. Dit is de meest tijdrovende taak. Het is de raad van bestuur van het fonds die het personeelskader moet goedkeuren. Zolang de raad van bestuur echter niet benoemd is, kunnen de precieze behoeften van het fonds niet worden bepaald. Ondertussen is er een beperkt team onder leiding van Dr. Toelen aangesteld, om zoveel mogelijk voorbereidend werk te doen, zodat het fonds zo snel mogelijk uit de startblokken kan komen wanneer alles geregeld is.
We herhalen voor alle duidelijkheid nog eens dat het fonds géén terugwerkende kracht zal hebben. Wie het slachtoffer werd van een medisch ongeval vóór 2 april 2010 (= de datum waarop de wet verscheen in het Staatsblad), zal de klassieke weg moeten bewandelen : tot een minnelijke schikking komen of een rechtszaak aanspannen.
De ingebouwde drempel is in ieder geval vrij hoog : slechts wie een blijvende invaliditeit van 25% heeft opgelopen, wordt vergoed. Om het wat duidelijker te maken met een concreet voorbeeld : wie vijf tenen of al zijn haar verliest door een therapeutisch ongeval, wordt niet vergoed. Ook bij een chronische maagzweer of het verlies van de milt ben je niet zeker…
Ook de mutualiteiten hebben er nu op aangedrongen om de drempel voor vergoeding te verlagen.
In de praktijk zal de vergoeding voorlopig wellicht beperkt blijven tot zo’n 120 slachtoffers per jaar. Dat zijn dan de zwaarste gevallen. In ieder geval blijven die dan toch gespaard van een dure en lang aanslepende procedure.
Het fonds zal ook statistieken verzamelen over medische ongevallen en adviezen uitbrengen inzake preventie. Het valt nog af te wachten of de overheid daar in de toekomst effectief iets mee zal doen. De vzw Medisch Falen pleit al jaren voor een actiever preventiebeleid door lessen te trekken uit wat er is misgegaan.
Men spreekt van een "medisch ongeval" wanneer een patiënt bij een geneeskundige verstrekking "abnormale schade" heeft opgelopen, d.w.z. dat er - rekening houdend met de huidige stand van de wetenschap, de toestand van de patiënt en zijn objectief voorspelbare evolutie - geen schade had mogen optreden.
Er zijn drie mogelijkheden :
1. Is de schade veroorzaakt door een fout, dan stuurt het fonds het dossier door naar de verzekeraar van de zorgverlener. Die verzekeraar doet daarop een voorstel tot vergoeding. Is de verzekeraar niet voldoende gedekt, betwist hij de aansprakelijkheid, wacht hij te lang om een voorstel te doen, of vindt het fonds de voorgestelde vergoeding ontoereikend, dan zal het fonds het slachtoffer zelf uitbetalen. Gaat het slachtoffer hiermee niet akkoord, dan kan hij dit nog altijd aanvechten bij de rechtbank van eerste aanleg.
2. Is de schade niet het gevolg van een fout, maar is ze voldoende ernstig, dan stelt het fonds zelf een vergoeding voor.
3. Is de schade niet het gevolg van een fout en is ze ook niet voldoende ernstig, dan wordt het slachtoffer ingelicht door het fonds en wordt het dossier afgesloten.
Wat verstaat men onder "ernstige schade"?
- een blijvende invaliditeit van 25%
- een arbeidsongeschiktheid van meer dan zes maanden
- zwaar verstoorde levensomstandigheden
- een overlijden
Let wel, ongevallen bij esthetische ingrepen die niet worden terugbetaald door de ziekteverzekering komen niet in aanmerking voor een vergoeding.
Het slachtoffer of zijn rechthebbende moet zich tot het fonds richten via een aangetekende brief. Het fonds onderzoekt het dossier en organiseert desgevallend een expertise. Het fonds brengt vervolgens een advies uit over de ernst van de schade en over de vraag of die schade al dan niet het gevolg is van een fout.
Slachtoffers kunnen voor de begeleiding van hun dossier aankloppen bij de juridische dienst van hun ziekenfonds.
Het Vlaams Patiëntenplatform heeft recent trouwens een steekproef gedaan bij 1250 zorgverleners in Vlaanderen (800 artsen-specialisten en 450 verpleegkundigen) om na te gaan in welke mate ze de wet op de patiëntenrechten kennen en naleven. Die steekproef leverde een aantal verrassende resultaten op. Bij de artsen-specialisten is maar 23,5% goed vertrouwd met die wet. Bijna 42% is slechts matig vertrouwd en zo’n 26% zegt er weinig vertrouwd mee te zijn. Amper 60% van de specialisten weet dat de patiënt recht heeft op inzage in zijn dossier, terwijl dit nu net erg belangrijk is. De wet op de patiëntenrechten bepaalt ook dat de patiënt recht heeft op volledige informatie. Toch presteert een kwart van de artsen het om geen woord te zeggen over de tegenaanwijzingen, neveneffecten en risico’s van een behandeling. Meer dan 40% van hen zegt ook niets over de alternatieve behandelingen. En maar liefst drie artsen op de vier zwijgen over de mogelijke kosten voor de patiënt, hoewel dit van cruciaal belang is. Voor sommige patiënten kunnen die kosten immers een reden zijn om een behandeling niet te starten of stop te zetten.
Uit de steekproef blijkt ook dat slechts 28,1% van de artsen-specialisten en 50% van de verpleegkundigen vinden dat er tijdens hun opleiding voldoende aandacht werd besteed aan patiëntgerichte communicatie. Een verrassing is dat niet : we stellen in de praktijk maar al te vaak vast dat de communicatie tussen arts en patiënt mank loopt.
Er is dus duidelijk nog werk aan de winkel. Ondertussen stellen we vast dat veel patiënten zelf ook niet op de hoogte zijn van de wet op de patiëntenrechten en er zich bijgevolg niet op beroepen.
Het Vlaams Patiëntenplatform onderzoekt momenteel ook hoe goed de huisartsen in Vlaanderen vertrouwd zijn met die wet en hoe het zit met de patiëntenvoorlichting in de ziekenhuizen. Het onderzoek zou nog deze zomer worden afgerond.
Registratie en preventie van medische fouten
De overheid wil de ziekenhuizen actief stimuleren om een managementsysteem voor patiëntveiligheid op te zetten. Zo heeft ze kwaliteitscontracten afgesloten met zowat 80% van de Belgische ziekenhuizen (170). De betrokken ziekenhuizen ontvangen hiervoor de nodige financiering. Eén van de pijlers van dit contract betreft het opzetten van een veiligheidsmanagementsysteem (VMS), dat onder meer een meldsysteem van incidenten en bijna-incidenten omvat. Zowat 85% van de ziekenhuizen beschikt momenteel over een eigen meldsysteem. In de contracten voor 2008-2009 zal grote aandacht worden besteed aan die meldsystemen. Een standaard-meldingsformulier is in voorbereiding. Er wordt ook gewerkt aan de juridische omkadering van het veilig melden van incidenten en aan het opstarten van een Comité voor Patiëntveiligheid. Er wordt gedacht aan een afzonderlijke commissie, die dan kan worden geïntegreerd in de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen. Volgens het meerjarenplan van de contracten “coördinatie kwaliteit en patiëntveiligheid” zal het werkjaar 2009-2010 in het teken staan van registratie en analyse van bijna-incidenten.
Stappen op weg naar een efficiëntere gezondheidszorg
Op 9 en 10 mei 2003 organiseerde het Leuvens Centrum voor Ziekenhuis- en Verplegingswetenschap (CZV) in Knokke een congres over medische fouten en hoe ze te voorkomen. Daarbij werd een definitie aangereikt van wat men tegenwoordig dient te verstaan onder “goede zorg”.
De zes kenmerken van “goede zorg” :
Veilig : vermijden dat de patiënt schade oploopt bij de zorg die net tot doel heeft hem/haar te helpen.
Doeltreffend : het verstrekken van wetenschappelijk gefundeerde zorg aan elkeen die daar baat bij heeft + het niet verstrekken van zorg aan wie daar waarschijnlijk géén baat bij heeft. Met andere woorden : het vermijden van onder- en overgebruik.
Patiëntgericht : het verstrekken van zorg met respect voor de eigen voorkeuren, behoeften, verwachtingen en waarden van de individuele patiënt. Elke zorgbeslissing wordt getoetst aan de waarden van de patiënt.
Tijdig : het verminderen van wachttijden en vertragingen, zowel voor de ontvanger als de verstrekker van de zorg.
Doelmatig : het vermijden van verspilling, ook wat betreft uitrusting, gebruiksgoederen, energie en ideeën.
Billijk : het verstrekken van dezelfde kwaliteitsvolle zorg zonder onderscheid des persoons, onder meer wat betreft geslacht, ras, herkomst en sociaal-economische situatie.
Aan het einde van het congres werden op basis van de voorbije voordrachten en discussies 13 aanbevelingen geformuleerd om te komen tot een betere gezondheidszorg :
Alle organisaties, beroepsgroepen, openbare en privé-instanties die actief zijn in de gezondheidszorg moet er uitdrukkelijk naar streven de last die volgt uit ziekte, letsels en handicaps te verminderen, alsook de gezondheid van de bevolking te verbeteren.
Alle organisaties, beroepsgroepen, openbare en privé-instanties die actief zijn in de gezondheidszorg dienen zes belangrijke doelstellingen na te streven : de zorg moet (1) veilig zijn, (2) doeltreffend, (3) patiëntgericht, (4) tijdig, (5) doelmatig en (6) billijk.
De bevoegde overheden op federaal en op gemeenschapsniveau moeten de nodige financiële middelen vrijmaken en de nodige initiatieven nemen voor de permanente opvolging en evaluatie van de vorderingen van het zorgsysteem bij het tot stand brengen van de voornoemde zes doelstellingen. De federale en Vlaamse ministers brengen hierover jaarlijks verslag uit in een rapport aan hun respectieve Parlement.
In overleg met alle organisaties, beroepsgroepen, openbare en privé-instanties die actief zijn in de gezondheidszorg, moet de overheid het initiatief nemen om een beperkt aantal prioritaire klinische domeinen te identificeren. Prioriteiten worden bepaald op basis van de frequentie van voorkomen, de impact op de (volks)gezondheid en op het gebruik van middelen. In overleg met diezelfde organisaties moeten, voor elk van deze domeinen, de te volgen strategie, doelstellingen en actieplannen worden vastgelegd om over vijf jaar tot een aanzienlijke verbetering te komen.
De overheid moet via een Fonds voor Zorgvernieuwing voldoende middelen ter beschikking stellen voor verbeterprojecten die tot doel hebben : (1) de realisatie van de zes doelstellingen, zoals vermeld in aanbeveling 2; (2) de realisatie van aanzienlijke, meetbare verbeteringen in de domeinen van prioritaire aandacht (aanbeveling 4). Deze projecten moeten leiden tot een algemeen beschikbaar aanbod van inzichten, methodes, technieken en werkinstrumenten met brede toepasbaarheid.
De overheid zal, in samenwerking met de privé-sector, een reeks workshops organiseren met vertegenwoordigers uit de gezondheidszorg, uit andere economische sectoren en uit de onderzoekswereld, om een moderne aanpak te definiëren, desgevallend aan te passen en toe te passen op de volgende gebieden :
het herontwerp van zorgprocessen op basis van erkende betere praktijken
het gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ICT) om klinische informatie toegankelijker te maken en het proces van klinische besluitvorming te ondersteunen
het beheer van kennis en vaardigheden
het creëren van doeltreffende teams
de coördinatie van zorgprocessen in tijd en ruimte
de integratie van performantie- en resultaatmetingen in functie van verbetering en verantwoording.
De overheid moet de nodige middelen vrijmaken om de wetenschappelijke kennis toegankelijker te maken voor zowel zorgverstrekkers als patiënten. Hiervoor is de medewerking vereist van organisaties van zorgverstrekkers en instellingen, de academische wereld en de onderzoekswereld, en alle instanties die betrokken zijn bij het kwaliteitsbeleid in de zorgsector.
De overheid en alle organisaties, beroepsgroepen, openbare en privé-instanties die actief zijn in de gezondheidszorg, alsook de partners uit de ICT-wereld, moeten samen een ICT-infrastructuur uitbouwen ten behoeve van de zorgverstrekking, de gezondheidsbekommernis van de patiënt en het meten en opvolgen van de zorgkwaliteit. Eén concrete doelstelling is het uitschakelen van handgeschreven klinische gegevens tegen 2010.
Uit alle financieringsmechanismen moeten die elementen verwijderd worden die een verbetering van de zorgkwaliteit in de weg staan. Sterkere positieve stimuli voor kwaliteitsverbetering moeten worden ingebouwd in alle financieringssystemen.
De overheid, de privé-verzekeraars, de zorgorganisaties en de zorgverstrekkers moeten, in samenwerking met de onderzoeksinstellingen, een onderzoeksagenda opstellen naar de verschillende mogelijkheden om de bestaande financieringsmechanismen beter af te stemmen op de verbeterdoelstellingen.
Een Ronde Tafel met alle betrokkenen moet de opleidingsprogramma’s – doorheen het hele opleidingstraject, tot en met de permanente bijscholing – hertekenen voor artsen, verpleegkundigen en andere zorgverstrekkers, in functie van de vereisten van een eigentijdse zorg. De regels voor de erkenning van de diverse professionele zorgverstrekkers moeten in overeenstemming daarmee worden aangepast.
De overheid moet onderzoek financieren om haar erkenningsregels alsook de wetgeving en regelgeving in het algemeen te evalueren (1) naar de mate waarin ze eigentijdse zorg ondersteunen en (2) zo nodig moeten worden gewijzigd om instellingen en zorgverstrekkers te ondersteunen bij het realiseren van de zes doelstellingen uit aanbeveling 2.
Openbare en privé-instanties, zorgorganisaties en clinici moeten samenwerken om zorgprocessen te hertekenen in overeenstemming met de volgende regels :
a) Zorg moet doorlopend aan de zorgvraag kunnen beantwoorden
Patiënten moeten zorg krijgen wanneer ze die nodig hebben. Dat moet kunnen onder diverse vormen en niet noodzakelijk alleen in rechtstreekse contacten. Dit betekent dat het zorgsysteem permanent beschikbaar is (24 uur per dag, 365 dagen per jaar). Rechtstreekse contacten kunnen worden aangevuld met toegang tot de zorg via internet, telefoon en andere kanalen.
b) Zorg op maat van de persoonlijke noden en waarden van de patiënt
Het zorgsysteem moet dusdanig zijn uitgetekend dat het tegemoet komt aan de meest voorkomende noden, maar het moet ook kunnen inspelen op individuele keuzes en voorkeuren van de patiënten.
c) De patiënt als sturende instantie
Patiënten moeten de nodige informatie krijgen alsook de mogelijkheid om over zorgbeslissingen die hen aanbelangen zoveel controle uit te oefenen als ze zelf wensen. Het zorgsysteem moet kunnen tegemoet komen aan de uiteenlopende voorkeuren van de patiënten en het moet gezamenlijke besluitvorming aanmoedigen.
d) Gedeelde kennis en vrije informatiestroom
Patiënten moeten onbeperkte toegang krijgen tot medische informatie over henzelf en tot klinische kennis. Clinici en patiënten moeten doeltreffend communiceren en informatie delen.
e) Besluitvorming gebaseerd op wetenschappelijke inzichten
De zorgverstrekking moet steunen op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis. Ze mag niet op onverklaarbare wijze variëren van clinicus tot clinicus of van plaats tot plaats.
f) Veiligheid als systeemeigenschap
Patiënten moeten worden beveiligd tegen schade veroorzaakt door het zorgsysteem. Het verminderen van risico’s en het verzekeren van de veiligheid kunnen pas als men méér aandacht heeft voor systemen die helpen fouten te voorkomen en te beperken.
g) De nood aan transparantie
Het zorgsysteem moet informatie beschikbaar stellen aan patiënten en hun familie. Die informatie moet hen toelaten op een geïnformeerde manier te beslissen wanneer ze een ziekenhuis of klinische praktijk uitkiezen, of wanneer ze kiezen uit alternatieve behandelingen. Hierbij hoort informatie over de doeltreffendheid van het zorgsysteem wat betreft veiligheid, klinische prakijk gebaseerd op recente wetenschappelijke kennis en tevredenheid van de patiënt.
h) Anticiperen op noden
Het zorgsysteem moet anticiperen op patiëntennoden, veeleer dan alleen maar reageren op gebeurtenissen.
i) Voortdurend verspilling vermijden
De zorgverlening mag de patiënt geen nodeloze tijd of geld kosten.
j) Samenwerking tussen clinici
Clinici en instellingen moeten actief samenwerken en onderling communiceren om een gepaste uitwisseling van informatie en communicatie omtrent zorg te verzekeren.