Homepage Doelstelling Problematiek Actueel Slachtoffers Getuigen Wetgeving Tips voor slachtoffers lid worden Links

Slachtoffers getuigen

 

De hierna vermelde getuigenissen van slachtoffers zijn door de vzw Medisch Falen gecontroleerd op hun juistheid. Om redenen van discretie vermelden we evenwel soms enkel de initialen van de persoon in kwestie.

Aansluitend op elke getuigenis vermelden we ook welke medische of juridische gevolgen werden gegeven aan de zaak.

 

Lijdensweg van 13 jaar door een handdoek die bij een operatie was achtergelaten in de romp

Na een ongeluk wordt mijn man in 1983 geopereerd in het OCMW-ziekenhuis van Geraardsbergen, waarbij een longkwab wordt weggehaald. Door onachtzaamheid blijft een handdoek van 40 x 40 cm in zijn lichaam zitten...

Hij zal nooit meer de oude worden. Talrijke onderzoeken geven geen enkel uitsluitsel over de oorzaak van de klachten. Dertien jaar lang sukkelt hij met zijn gezondheid, tot hij in 1995 ernstig ziek wordt (zware vermoeidheid, opeenvolgende infecties, koortsaanvallen). De vele antibiotica-kuren kunnen de ontsteking niet bedwingen. Een radiologisch onderzoek laat een gezwel vermoeden. Mijn man wordt geopereerd in het St.-Vincentius-ziekenhuis te Gent, door een zeer bekwame en lovenswaardige chirurg, dr. L.V. Diens vermoeden wordt bevestigd : er wordt een "textiloma" aangetroffen. Aan wat overblijft van de handdoek hangt nog het naamlintje van het ziekenhuis van Geraardsbergen... Dr. L.V. staat volledig aan onze kant. Het bewijs van de onachtzaamheid (de resten van de handdoek) wordt ons overhandigd.

Nu wacht mijn man wéér een lijdensweg. Een tweede operatie dringt zich op. Er worden o.a. twee ribben weggenomen. Het herstel verloopt moeizaam. Mijn man houdt er een blijvende invaliditeit aan over, waardoor hij zijn functie als bedrijfsleider niet meer kan uitoefenen.

Ondertussen worden het ziekenhuis van Geraardsbergen en de betrokken chirurg ingelicht over de feiten. Eerst ontkennen ze alles, en vervolgens wijzen ze elke verantwoordelijkheid van de hand. Een poging tot minnelijke schikking loopt na 9 maanden op niets uit.

De zaak wordt dus noodgedwongen voor de rechtbank gebracht. Er worden experts aangesteld. In hun bevindingen tonen die zich heel mild voor de betrokken chirurg. Toch wordt de zaak door ons in eerste aanleg gewonnen.

De verzekeraar van de tegenpartij gaat evenwel in beroep. Het Hof van Beroep te Gent verbreekt het eerste vonnis. De chirurg wordt volledig verschoond van deze zware beroepsfout!

Deze uitspraak heeft ons zwaar getroffen, zowel moreel als financieel. We kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat dit vonnis er gekomen is door lobbyen, niet het minst vanwege de verzekeraar van de chirurg, AG Fortis. De belangen van het slachtoffer zijn hier van geen tel meer.

Een poging tot inleiding in Cassatie is tot nu toe niet gelukt. We hopen alsnog in Cassatie te kunnen gaan, om het vonnis te laten vernietigen. We doen dan ook een oproep tot magistraten en juristen die ons zouden kunnen helpen om dit schrijnende onrecht ongedaan te maken.

Mariette Fostier, Horebeke

 

Van knieblessure tot algemene reuma, door ziekenhuisinfectie

Bij een licht ongeval met een scooter eind oktober 2001 raak ik gewond aan een knie. De huisarts vermoedt dat het slechts een kneuzing is, maar 's nachts begint mijn knie sterk te zwellen. 's Anderendaags brengt een CT-scan een breuk van het externe tibiaplateau aan het licht. Er komt een kijkoperatie aan te pas, "waarbij misschien niet eens echt geopereerd zal worden". De chirurgen zien echter meteen dat er meer nodig is dan alleen maar kijken. Ze maken een opening van meer dan tien centimeter links van de knieschijf en plaatsen osteosynthese-materiaal.

Na een weekje mag ik naar huis, met Panadol tegen de pijn en Floxapen als preventief antibioticum. Na enkele dagen hoopt zich bloed op onder de doorzichtige folie die de operatiewonde afdekt. 's Anderendaags is er naast bloed ook etter te zien. De huisarts verwijst me door naar het AZ. Het is vrijdagavond. Op de overbelaste spoeddienst wordt de wonde zo goed als mogelijk leeggeperst, maar het weekend brengt geen beterschap. Op maandagochtend meld ik me opnieuw op de spoeddienst. Met een smoezelig plastic gordijn als enige afscherming lig ik in het noodoperatiekwartier ruim een uur naast een bejaarde vrouw die blijkbaar last heeft van genitale of anale verwikkelingen. Ik word wegens wondinfectie (Coagulatienegatieve Staphylococcus) opnieuw gehospitaliseerd en behandeld met zilvernitraat, infuzen met antibiotica en spoelingen. Er treedt evenwel geen beterschap op. Mijn knie wordt dus opnieuw geopereerd om het osteosynthesemateriaal schoon te maken en plaatselijke antibiotherapie toe te passen.

Na een maand mag ik naar huis. Ik dien enkel nog oraal antibiotica (Ciproxine) in te nemen. Enkele dagen later begint mijn linkerknie echter te zwellen en zijn er opnieuw symptomen van wondinfectie. Op de spoeddienst vermoeden ze dat het om een diepe veneuze trombose gaat, maar dat wordt tegengesproken door de echografie. Ik word voor de derde keer gehospitaliseerd. De behandeling bestaat uit het antitromboticum Fraxiparine en infuzen met antibiotica. Na veertien dagen lijkt de wondinfectie weer onder controle en kan ik met Dalacin en Ciproxine naar huis.

Vanaf half januari 2002 mag ik mijn knie opnieuw beginnen te belasten en gebruik ik meer en meer alleen nog mijn rechterkruk. Zo'n tien dagen later zit ik echter met een gezwollen, pijnlijke rechterpols. Ik besluit enkel nog de linkerkruk te gebruiken en de pijn te stillen met Dafalgan. De huisarts laat een bloedonderzoek uitvoeren en röntgenbeelden maken. Hij probeert soelaas te brengen met ontstekingsremmers en een polsverband. Als ook mijn linkerhand en daarna mijn rechterknie gaan zwellen, schrijft hij Diclofenax en (preventief maagbeschermend) Docraniti voor. Omdat de pijn ondraaglijk is, neem ik op eigen initiatief ook Tylenol voor het slapengaan.

In de tweede helft van februari krijg ik twee tot vier keer per dag hevige pijnaanvallen in mijn rechteronderbeen. De pijn, te vergelijken met kuitkramp, maar dan aan de voorzijde van het been, houdt telkens tot een uur aan. De huisarts verwijst me door naar de dienst reumatologie van het ziekenhuis waar ik werd geopereerd, maar omdat ik daar pas in april terechtkan, stuurt hij me naar een lokaal ziekenhuis. Uit een botscan blijkt dat het om polyartritis gaat. Omdat de voorgeschreven pijnstiller Valtran weinig helpt, neem ik op eigen initiatief om de acht uur ook 1300 mg Acetaminophen.

Na een vijftal dagen blijven de pijnaanvallen uit, maar een week later meld ik me andermaal op de spoeddienst van het AZ. Deze keer lig ik urenlang met een open wonde tussen hoestende en snotterende mensen op de gang. Wegens septische artritis van de knie en een abces ter hoogte van de knie word ik voor de vierde keer gehospitaliseerd. De infuzen met antibiotica (Dalacin) brengen weinig beterschap. Uiteindelijk wordt het geïnfecteerde osteosynthese-materiaal verwijderd. Op mijn aandringen wordt wegens vermoeden van beginnende reumatoïde artritis het advies van de dienst reumatologie gevraagd. Diagnose: polyartritis, compatibel met reumatische artritis. De reumatoloog acht het verband met de infecties onwaarschijnlijk en onmogelijk te bewijzen. Hij acht een verband met de knieblessure een tikkeltje waarschijnlijker, maar al evenzeer moeilijk te bewijzen.

Na veertien dagen mag ik opnieuw naar huis. Ik dien nog een maand lang oraal Dalacin in te nemen. Tegen de pijn neem ik naar eigen inzicht Apranax (naderhand vervangen door Celebrex). Tegelijk begint ook een behandeling voor reumatische artritis, met Salazopyrine.

Met een attest voor halftijds werk tot 24 juni hervat ik begin mei mijn beroepsactiviteit. De arbeidsongevallenverzekering maakt voorbehoud voor eventuele verdere arbeidsongeschiktheid. In de laatste week van mei blokkeert mijn rechterwijsvinger en neemt de zwelling/pijn in verschillende hand- en vingergewrichten sterk toe. De reumatoloog verklaart me een week arbeidsongeschikt en vult de Salazopyrine-behandeling met Methotrexaat aan.

De arbeidsongevallenverzekering laat weten over onvoldoende gegevens te beschikken om stelling te nemen inzake de vergoeding van deze en eventuele latere arbeidsongeschiktheid. "Wij doen al het mogelijke om aanvullende inlichtingen in te winnen en zullen u zodra mogelijk onze definitieve beslissing mededelen", luidt het.

Begin juni herneem in mijn halftijds werk en de laatste week van juni werk ik weer voltijds. Via medische sites op internet leer ik dat zowel stafylokokken- als propionibacterie-infecties onder meer tot artritis kunnen leiden.

Eind juli word ik in opdracht van de controlearts van de arbeidsongevallenverzekering onderzocht door een radiologisch deskundige.

Begin augustus stuurt de arbeidsongevallenverzekering mijn apothekersbonnen voor reumageneesmiddelen terug met de mededeling: "Volgens onze raadsgeneesheer staan deze niet in verband met het ons aanbelangend schadegeval". Wanneer de door de verzekeringsmaatschappij aangestelde controlearts terugkeert uit vakantie, spreek ik haar hierover telefonisch aan. Ze antwoordt dat ze het dossier van de radiologisch deskundige nog moet bestuderen en haar beslissing dus nog in beraad houdt. Ze weet wel al te vertellen dat de radiologisch deskundige geen spoor van preoperatieve artritis heeft gevonden (met andere woorden: toen ik in oktober 2001 in het ziekenhuis arriveerde, had ik nog geen artritis). De raadsgeneesheer waarnaar de verzekeringsmaatschappij verwees, zou een arts in loondienst van die verzekeringsmaatschappij kunnen zijn. Ze raadt me aan een tweede mening te vragen, van een reumatoloog buiten het AZ en bij voorkeur buiten om het even welk ziekenhuis. Ze geeft me ook te verstaan dat ik er goed aan doe tijdens een fase van actieve artritis in mijn geopereerde knie opnieuw foto's te laten nemen.

Begin oktober laat ze me onderzoeken door een reumatoloog. Die wil een verband tussen het ongeval en mijn artritisklachten aannemen als ze één toepasselijke casestudy kan vinden. Prompt tovert mijn behandelende reumatoloog een recente studie van de "British Society for Rheumatology" te voorschijn. Daaruit moet blijken dat een lichamelijk letsel opgelopen tijdens de zes voorafgaande maanden vaak leidt tot reumatische artritis. Sindsdien is het wachten op een teken van leven van de verzekeringsmaatschappij...

W. D., Meise

 

Hoe een "simpele" kijkoperatie uitdraaide op een regelrechte nachtmerrie

 

In 1996 werd ik opgenomen in een ziekenhuis te Gent voor een lichte ingreep. Een van mijn eierstokken moest worden weggehaald, en dat zou met een laparoscopie (kijkoperatie) gebeuren. Twee dagen ziekenhuis en ik zou weer de oude zijn.

De dag na de ingreep had ik erge buikpijn. De verpleegster vertelde me dat dit kwam door de lucht die ze in mijn buik hadden gepompt voor de operatie. Zodra die lucht ontsnapt was, zou ook de pijn verdwijnen. Toch werd de pijn dag na dag erger, en ik kreeg ook koorts. Na drie dagen was ik zo kapot van die snerpende pijn dat ik me nauwelijks nog kon bewegen.

Doodongerust belde mijn vader naar de dokter en vroeg om me grondig te laten onderzoeken, maar het antwoord luidde : "Luister goed, ik ben de dokter. Ik weet wat ik doe, en jullie moeten me maar vertrouwen."

De nacht daarna begon er wondvocht uit de twee kleine sneetjes van de operatie te sijpelen. 's Anderendaags was ik verlamd van de pijn. "Ik ga dood", zei ik tegen de familieleden die toen op bezoek kwamen, en dat meende ik letterlijk. Toen ik rechtop gehesen werd, sprongen de wonden helemaal open. Groot alarm. Er werd halsoverkop een darmspecialist bij geroepen. Eindelijk werden er foto's genomen en toen werd meteen duidelijk wat er aan de hand was : tijdens de kijkoperatie was mijn darm doorboord geworden. Gevolg : een levensgevaarlijke buikvliesontsteking.

Alles werd in gereedheid gebracht voor een spoedoperatie, waarbij men allereerst probeerde het darmlek te dichten. Achteraf zou blijken dat dit slechts gedeeltelijk was gelukt. Dagenlang zweefde ik tussen leven en dood. Ik verging van de pijn, zo erg dat ik keer op keer het bewustzijn verloor. Ze hadden me vastgebonden, omdat ik niet meer wist wat ik deed.

Op een bepaald moment ben ik zelfs klinisch dood geweest, waarbij ik een heel vreemde bijna-dood-ervaring heb gehad. Naderhand werd beslist om me over te brengen naar een universitair ziekenhuis, voor verdere ingrepen. Toen ze daar aan de operatie begonnen, konden ze de organen in mijn lichaam nauwelijks nog terugvinden : het was één bloederige, etterende massa. Ik was van kop tot teen vergiftigd. De complicaties stapelden zich op : een hartstilstand, een ingeklapte long, mijn wonde die maar niet dicht wilde blijven...

Tien dagen lang verkeerde ik in levensgevaar. Tot het grootste gevaar eindelijk geweken was. Daarna diende ik nog vijf keer geopereerd te worden, om alle ontstekingen uit mijn lichaam weg te krijgen. Na 41 dagen ziekenhuis mocht ik dan eindelijk naar huis.

Toen ik het ziekenhuis binnenging, was ik een gezonde vrouw van 39 en woog ik 56 kg. Toen ik het ziekenhuis verliet, voelde ik me oud en ziek. Al mijn haar was uitgevallen en ik woog nog amper 38 kg. Mijn lichaam is voorgoed beschadigd. Vijf maanden lang heb ik rondgelopen met een stoma, een kunstmatige anus. Uiteindelijk werd die weggehaald, maar een normale stoelgang heb ik sindsdien nooit meer gehad. Ik heb voortdurend sterke diarree, die nauwelijks op te houden is. Zoiets legt een zware hypotheek op je sociaal leven. Ik ben ook altijd moe, doodmoe zelfs. Het is alsof ik geen kracht meer heb in mijn lijf. Ik ben 45, maar heb het lichaam van een vrouw van 70.

We hebben klacht ingediend tegen de dokter die de laparoscopie heeft uitgevoerd. Niet omdat hij bij de ingreep mijn darm heeft doorboord, wel omdat hij mijn klachten op een arrogante manier heeft weggewuifd.

Ik moest massa's onderzoeken ondergaan. Alle ziekenhuisdossiers werden in beslag genomen, maar één foto - een belangrijke foto van mijn darmen - was plots spoorloos. Weggemoffeld, zo bleek achteraf.

Het spervuur van de advocaat van de tegenpartij was bijzonder kwetsend. Volgens hem had ik een darmlek van niks, had ik alles schromelijk overdreven... Uiteindelijk gaf de dokter dan toch zelf toe : "Ik wil me graag verontschuldigen voor de fout die ik heb gemaakt. Mevrouw is werkelijk door de hel gegaan, en ze moet daarvoor vergoed worden."

De rechtbank veroordeelde hem tot een voorwaardelijke straf. Er zal mij een vergoeding worden uitbetaald voor alle geleden schade, lichamelijk én psychologisch. Het juiste bedrag moet nog worden berekend, maar ik kreeg alvast een voorschot. Het allerkostbaarste ben ik evenwel kwijt : mijn gezondheid.

Marijke Van de Keere, Aalter

 

Een rugoperatie met verstrekkende gevolgen

Een 49-jarige patiënte wordt geopereerd aan de rug. Toegepaste techniek: endoscopie. Een kijkoperatie waarbij de buikchirurg de neurochirurg tot bij de wervels brengt. De dag na de operatie: hevige buikpijn, met vermoeden van bloedingen. Er worden pijnstillers toegediend. De toestand wordt slechter. De darmen werken niet. Er wordt een maagsonde geplaatst en de patiënte krijgt nog méér pijnstillers, tot haar reactievermogen op pijn quasi tot nul herleid is. Een week na de operatie verzekert de buikchirurg dat alles in orde komt.

Acht dagen na de eerste operatie volgt een tweede operatie. De patiënte wordt overgebracht naar de afdeling intensieve verzorging, waar ze wordt beademd. Diezelfde nacht raakt ze in shock, als gevolg van inwendige bloedingen. Er volgen nog zes operaties. Alles samen dus acht operaties …

Na een verblijf van 59 dagen in het ziekenhuis wordt de patiënte ontslagen, met een open buikwonde van 18 x 10 cm en stoelgangverlies via een fistel naar de buikwand. Thuisverpleging en familiehulp zijn noodzakelijk. Twee à drie keer per dag komt een verpleegster langs. Ook de huisarts komt dagelijks twee à drie keer op controle.

Kort daarna zoekt de stoelgang zich een uitweg via de vagina. 's Nachts wordt de patiënte vaak wakker. Verband, slaapkleed en beddengoed zijn nat en bevuild. Om de was te beperken, slaapt ze met vuilniszakken om haar gewikkeld.

Ook financieel kampt ze met problemen. Als staatsambtenaar wordt ze op 49-jarige leeftijd op pensioen gesteld. De pensioencommissie kent haar het minimum toe (5 punten). Een invaliditeit van 66% wordt geweigerd. Men hoeft zelfs de wonde niet te zien. Belastbaar inkomensverlies: 50%.

De pijn houdt ondertussen aan. De patiënte leeft nu met een kunstmatige buikwand. Er zijn nog steeds openingen te zien.

 

Van één operatie naar dertien

Zondag 16 februari 1997 ga ik het AZ Den Brandt in Boom binnen voor een eenvoudige achillespeesoperatie. Die operatie vindt ’s anderendaags plaats. Normaal gezien zou ik vrijdag het ziekenhuis mogen verlaten.

Tijdens de verzorging op donderdagmiddag zet de verpleegkundige het bed in neutrale stand (voordien stond het in hoogstand). Daarbij klapt het bed achteraan tot tegen de grond. Reactie van de verpleegkundige: och, dat is het defecte bed, we zetten het terug in hoogstand, voor die ene nacht zal het nog wel gaan.

Wanneer ik ’s avonds weer in bed wil stappen na een toiletbezoek klapt het bed weer tot tegen de grond. Ik val en krijg de bedrand tegen mijn onderrug. Een uur lang lig ik op de grond. Ik kan niet overeind komen: op mij linkerbeen kan ik niet staan wegens de operatie, en op mijn rechterbeen kan ik niet staan door de val. De nachtverpleegkunde had wel gehoord dat er een glazen voorwerp stukgevallen was, maar was niet komen kijken. Pas na een uur, wanneer ze haar ronde doet, komt ze mijn kamer binnen. Reactie: oei, madammeke, wat heb je nu gedaan? Ze bekommert zich meer om de kapotte bloemenvaas en fles water dan om mij. Pas wanneer ze me recht wil helpen, ziet ze hoe ernstig het is. De dokter met wachtdienst wordt opgebeld. Diagnose: ischias rechts met verlammingsverschijnselen in het hele been. Behandeling: pijnstiller en spierontspanner (tot 5 intramusculaire inspuitingen per dag). De volgende dag naar huis gaan mag ik dus vergeten.

Een week later, tegen vrijdagavond, is de inspuitplaats enorm gezwollen en rood. Ze voelt gloeiend aan. De verpleegkundige legt er dan maar een zak ijs op. Er is geen dokter meer aanwezig en de inspuitingen gaan gewoon verder in de rechterbil.

Pas zaterdagnamiddag krijg ik een dokter (vervanger) te zien. Diagnose: spuitabces. Behandeling: ijszak op de pijnlijke plaats.

’s Zondags loopt de koorts op tot 40 graden. Geen dokter aanwezig, behandeling blijft ongewijzigd. ’s Maandags schreeuw ik het uit van de pijn: de hoofdverpleegkundige heeft op eigen houtje de medicatie stopgezet (er worden geen inspuitingen meer gegeven) Een dokter heb ik nog steeds niet gezien. Na het bezoek belt mijn moeder van thuis uit de behandeld arts op (de hoofdverpleegkundige bleef weigeren er een arts bij te roepen). Mijn behandelend arts weet van de hele zaak nog niets af, zo beweert hij toch. Hij belooft meteen langs te komen. Pas na 20 uur krijg ik hem te zien. Hij laat onmiddellijk een infuus plaatsen, en ik krijg pijnstillers en antibiotica toegediend. Bij mijn opname heb ik een lijst afgegeven van ontsmettingsmiddelen, verbanden en medicijnen die niet mogen worden gebruikt omdat ik er in het verleden allergisch heb op gereageerd. Ongelooflijk maar waar: het eerste verboden product op de lijst (penicilline) wordt zonder verpinken toegediend. Gevolg: hevige allergische reactie, gezwollen slijmvliezen in mond en keel… Ik krijg cortisone ingespoten om verstikking te voorkomen. Ik moet de nacht doorbrengen op de afdeling intensieve zorg.

De volgende dag krijg ik andere antibiotica toegediend. Het abces wordt zienderogen groter en ook de koorts blijft rond de 40 graden schommelen. De behandeling wordt echter niet gewijzigd.

Een week later word ik geopereerd. Het abces heeft dan al een doorsnede van 25 cm. Behandeling: een jodiumwiek in de wonde, hoewel ze weten dat ik allergisch ben voor jodium (dat stond vermeld op de lijst van ‘verboden producten’). Het gaat van kwaad naar erger, maar men blijft dezelfde antibiotica toedienen. Hoewel de infectie zich blijft uitbreiden, neemt men geen maatregelen om besmetting van andere personen te voorkomen. De kamerdeur staat wagenwijd open. De verpleegkundigen lopen onbeschermd de kamer in en uit. Het besmette linnen gaat de gewone waszak in … Handen ontsmetten voor of na de wondverzorging gebeurt niet en men gebruikt ook geen beschermende handschoenen.

Omstreeks 19 uur word ik nogmaals geopereerd. Ik hoor een verpleegkundige in de operatiezaal zeggen: ja maar, zaal 2 is nog niet schoongemaakt. Waarop de dokter antwoordt: dat kan geen kwaad, het is toch een ‘besmet geval’. Wanneer ze me de operatiezaal binnenbrengen, kan ik mijn ogen niet geloven: op de grond ligt nog bloed van een vorige operatie.

Uiteindelijk word ik daarna nog zeven keer geopereerd. Na de laatste operatie heb ik een grote gapende open wonde, het bot van de heupkam is zichtbaar. De behandeld arts houdt vol dat alle schade vergoed zal worden en dat er later een plastische correctie kan plaatsvinden. Hij verklaart dit meermaals in het bijzijn van familieleden en andere bezoekers in mijn kamer. Drie maanden later is de toestand zo uit de hand gelopen dat ik in samenspraak met de huisarts besluit me te laten overbrengen naar een ander ziekenhuis (Ten Bosch, in Willebroek). De behandelend arts houdt die overbrenging nog drie dagen tegen. Er is zogezegd geen plaats in het andere ziekenhuis. Hij geeft een verwijsbrief mee voor de volgende behandelend arts en de huisarts. Daarin vermeldt hij doodleuk dat ik ‘karaktergestoord’ ben en dat ik de infectie zelf heb veroorzaakt, door mezelf in te spuiten met bacteriën (‘auto-inoculatie’) …

In het andere ziekenhuis word ik nogmaals geopereerd, maar mijn toestand gaat zienderogen achteruit. Er wordt een loopje genomen met de regels van goede wondverzorging. Van steriel werken hebben ze duidelijk nog niet gehoord. Na 15 dagen keer ik op eigen verantwoordelijkheid naar huis. Ik blijf er maar een paar uur. De huisdokter heeft immers al een opname geregeld in het ziekenhuis Heilige Familie te Reet. Wanneer ik daar aankom, word ik meteen geopereerd en in afzondering geplaatst. Hun vermoeden wordt bevestigd: ik ben besmet met de MRSA-bacterie (‘ziekenhuisbacterie’). Na zes weken behandeling met antibiotica (intraveneus) en na nog eens twee operaties mag ik eindelijk naar huis. We zijn dan eind juli. De wonde zal nog openblijven tot eind december. De infectie lijkt uiteindelijk bedwongen en de wonde geheeld.

Ik heb wel nog geregeld koorts (tot 40 graden), zonder duidelijke oorzaak. Ondertussen zit ik met reumatoïde artritis op alle gewrichten. Ten gevolge van de ziekenhuisinfectie?

Na een verblijf van een maand in het UZA en na tal van onderzoeken, blijkt dat de MRSA-bacterie zich heeft vastgezet op de metalen krammen (osteo-synthesemateriaal) die al zo’n tien jaar in mijn voet zitten (de voet was vastgezet na een verlamming opgelopen bij een rugoperatie). Ik krijg acht weken lang intraveneus antibiotica toegediend. Daarna lijkt de infectie definitief voorbij.

Ondertussen heb ik al meer dan 7.500 euro aan ziekenhuisfacturen moeten betalen.

Wanneer ik mijn medisch dossier opvraag in het eerste ziekenhuis (AZ Den Brandt, in Boom) krijg ik te horen dat het onvindbaar is. Ik ga aankloppen bij de directie, maar die zegt me dat het dossier zoek is, net als de genomen scans en RX-foto’s.

Wanneer ik ga aankloppen bij de adviserend geneesheer van de CM (Christelijke Mutualiteit) is die formeel: alle ellende komt door de val met het bed (het geklungel achteraf van de artsen wordt buiten beschouwing gelaten).

De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten start een rechtszaak, zo vertelt men mij Ik krijg een advocaat toegewezen.

Drie jaar later is er nog altijd geen schot in de zaak. Ik krijg telkens te horen dat de zaak ‘aanhangig gemaakt is bij de Landsbond’. Omdat de zaak blijft aanslepen neem ik contact op met het consumentenprogramma Ombudsjan. De Landsbond weigert echter deel te nemen aan de uitzending. De redactie van Ombudsjan krijgt een dossier toegestuurd met begeleidende brief waarin staat dat het niet om een therapeutisch ongeval gaat, maar om een ‘complicatie’. Voor de Landsbond is de zaak afgehandeld.

In september 2001 stuurt zijn kat naarzaak. agen tegen.start ik dan maar zelf een procedure op voor de rechtbank van eerste aanleg in Mechelen. Ik acht het ziekenhuis en de artsen verantwoordelijk voor de opgelopen schade. Wanneer mijn advocaat mijn medisch dossier opvraagt in het ziekenhuis, krijgt hij te horen dat het “verloren is gegaan bij de verhuizing” (fusie van twee ziekenhuizen) …

Bij de eerste gerechtelijke expertise zit professor B. daar met een stapel documenten, wel 40 cm dik. Wanneer ik hem vraag wat dat is, antwoordt hij: “Je medische dossier”. Plots was het dus niet meer zoek!

Bij de tweede gerechtelijke expertise besluiten de arts aangesteld door de verzekaar van het ziekenhuis, de wetsdokter die mij vertegenwoordigt en de door het gerecht aangestelde wetsdokter om de behandelend arts niet langer aan te klagen. De hoofdoorzaak is immers het defecte bed. Ik word daarbij niet gehoord. Ik zit in de gang te wachten, maar word niet toegelaten tot het expertiselokaal.

In april 2005, acht jaar na het ongeval met het bed, velt de rechter een vonnis: het ziekenhuis wordt verantwoordelijk geacht voor het defecte bed. Er wordt een totale schadevergoeding van 22.000 euro toegekend. Tien dagen later tekent de tegenpartij hoger beroep aan.

Een jaar later komt mijn zaak een eerste maal voor het hof van beroep in Antwerpen. Er wordt nog enkele maanden getreuzeld door het ontbreken van een handtekening. Het ziekenhuis waar het ongeval zich heeft voorgedaan, is intussen in vereffening gegaan.

Op 11 oktober 2006 volgt dan de definitieve uitspraak: het ziekenhuis wordt niet verantwoordelijk geacht. 

In zijn arrest stelt het hof van beroep onder andere:  

1.     Pas drie jaar na de feiten is er een rechtszaak opgestart. Het doet er blijkbaar niet toe dat het drie jaar geduurd heeft voor het ziekenfonds tot het besluit kwam dat het niet om een medische fout maar om een ‘complicatie’ ging …

2.     De klacht is gewijzigd in de loop van de procedure: eerst zijn de behandelend arts en het ziekenhuis aangeklaagd, daarna alleen het ziekenhuis. Ik had de klacht tegen de behandelend arts echter laten vallen na de tweede expertise, omdat me dat was aangeraden.

3.     Onvoldoende bewijzen: het defecte bed was niet meer op te sporen (nogal wiedes, na acht jaar …).

Als ik een gouden raad mag geven: gebeurt er iets in het ziekenhuis, laat dat dan meteen op papier zetten. Had ik maar proces-verbaal laten opmaken ... Maar wie denkt daaraan in een ziekenhuis? Kijk ook uit met mondelinge verklaringen waarbij beloofd wordt dat ‘alle schade vergoed zal worden’.

M.V.M., Tisselt. 

 

Een galsteenoperatie die bijna fataal afliep

Een 72-jarige vrouw die het geluk heeft gehad heel haar leven een goede gezondheid te genieten, krijgt in november 2007 hevige buikpijn en koorts. Samen met haar man gaat ze naar de huisarts, die hen onmiddellijk doorverwijst naar de spoeddienst van het lokale ziekenhuis. Na onderzoek blijkt dat ze galstenen heeft en dat een operatie zich opdringt.

De vrouw wordt naar huis gestuurd. Ze moet antibiotica nemen.

Na zo’n twee weken is de koorts verdwenen, maar niet de pijn. Verschillende malen wordt er contact opgenomen met het ziekenhuis, om te vragen wanneer de operatie nu eindelijk kan plaatsvinden. Steeds luidt het antwoord dat het overvol zit en dat ze nog wel iets zullen laten weten.

Ondertussen begint de vrouw weer koorts te krijgen. De huisarts schrijft opnieuw antibiotica voor, die ze gedurende twee weken neemt. Van het ziekenhuis nog steeds geen nieuws.

Na zo’n twee maanden kan de vrouw het niet meer uithouden van de pijn. De huisarts verwijst haar opnieuw door naar de spoeddienst. Daar wordt een afspraak gemaakt om twee weken later nog eens langs te komen. Ze sukkelt verder (hevige pijn met koorts). Twee weken later volgt dan eindelijk de operatie, die naar verluidt ‘geslaagd’ is. De vrouw belandt op een kamer, met een drain, die moet blijven aanhangen tot er geen vocht meer uit de wonde komt.

Zo’n 4 dagen later komt er nog steeds vocht uit. De familie denkt dus dat de vrouw nog wel een paar dagen in het ziekenhuis zal moeten blijven. Tot hun verbazing krijgen ze echter te horen dat ze naar huis mag en dat de drain al is verwijderd.

Thuis aangekomen voelt de vrouw zich niet echt goed. Ze heeft wat koorts, maar volgens de huisarts is dit een gevolg van de operatie en zal het wel verdwijnen.

De dagen erna gaat het steeds slechter met haar. Bijna anderhalve week na haar ontslag uit het ziekenhuis krijgt ze enorme pijn en zware koorts. De huisarts verwijst haar nogmaals door naar de spoeddienst, waar men na een echografie vertelt dat ze ‘prima’ is en dat ze naar huis mag.

De nacht erna kan de vrouw het niet meer uithouden van de pijn. Ze kan zelfs niet meer staan. In het holst van de nacht gaat het weer richting spoeddienst, waar een scan wordt genomen. Groot is haar verbazing wanneer ze te horen krijgt dat ze met spoed opnieuw geopereerd moet worden in de buik. Er heeft zich wondvocht opgehoopt in de buikholte. De drain is dus duidelijk te vroeg verwijderd geweest.

Na een zware operatie, waarbij ze in een diepe shock belandt en de artsen zelfs even voor haar leven vrezen, wordt ze naar de ontwaakkamer gebracht.

Bijna elke dag van de week erna gaan de echtgenoot en de zoon haar bezoeken, maar ze reageert bijna op niets meer. De afdeling intensive care is naar verluidt volzet, dus naar daar kan ze niet. Van de ontwaakkamer brengt men de patiënte terug naar haar kamer. Na zo’n twee weken spreekt ze al weer wat, maar ze is erg verward. Zo denkt ze dat ze verbrand is en ziet ze mensen die er niet zijn. Tot op heden is de vrouw nog altijd niet zoals ze vroeger was. Ze kan bijna niet meer stappen en er wacht haar nog een lange revalidatie.

 

Een ingreep met zware gevolgen

Een 36-jarige vrouw gaat naar het ziekenhuis voor een rectopexie (optrekken van de endeldarm na verzakking), dit na onderzoek door een darmspecialist. Ze is ook naar een gynaecoloog geweest, om te zien of ook de baarmoeder eventueel niet verzakt was, maar dat bleek niet het geval te zijn. Daarna is ze nog eens teruggegaan naar de darmspecialist, die bevestigde dat enkel de endeldarm zou worden opgetrokken.

De avond na de ingreep mag ze het ziekenhuis al verlaten. Die nacht heeft ze ondraaglijke pijn. Ze belt de huisarts, die ’s ochtends langs komt. Ze toont hem het verslag van het ziekenhuis. De arts staat versteld van wat hij daarin leest. Blijkt dat niet alleen de endeldarm is opgetrokken, maar ook de blaas en de schede, en dat de baarmoeder werd verwijderd. De patiënte was hiervan niet op de hoogte en reageert geschokt. De huisarts begrijpt er niets van. In zo’n toestand mag men een patiënt zeker niet zo snel naar huis sturen. Hij vraag de vrouw de arts die haar heeft geopereerd op te bellen. Ze doet dat en geeft de huisarts aan hem door. De opgebelde arts bevestigt dat wat in het verslag staat klopt.

Kort nadien gaat de vrouw op controle bij de darmspecialist en vraagt om uitleg. Bij de operatie is niet alleen de endeldarm opgetrokken, maar is ze ook geopereerd door een gynaecoloog. Niet de gynaecoloog bij wie ze op consultatie was geweest, maar een vervanger. Tijdens de operatie heeft die vervanger de darmspecialist nog opgebeld, met de vraag of hij de baarmoeder al dan niet mocht wegnemen. De darmspecialist vroeg of hij de patiënte daarover had ingelicht. Dat was niet gebeurd, zei de vervangende gynaecoloog. De darmspecialist drong erop aan de patiënte te wekken om haar toestemming te vragen. Uiteindelijk is dat niet gebeurd en is de baarmoeder toch verwijderd. De patiënte wist niet eens dat er bij de operatie ook nog een gynaecoloog aan te pas zou komen. Op het opnameblad van het ziekenhuis stond enkel "rectopexie" vermeld.

De patiënte en haar man hadden nog een kinderwens, maar mogen daar nu een kruis over maken. Het ziekenhuis heeft het over een "communicatiefout"…